Er staat (c)opyright op de gedichten van Cauwe, Marijcke U mag dit gedicht alleen gebruiken als u de auteursnaam en eventueel de website daarbij vermeldt.
Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn


Mijn minnaar moet zijn als de branding der zee,
bruisend en stuivend, eindeloos schuivend
zijn grommende golvenrij.
Met schouders vol schelpen
en wangen vol wier.
Zijn lippen doordrongen van zout en van zon
onstuimig mij nemend met de kracht van het dier
op naar de toppen der branding van ´t komend getij
met lust niet te stelpen.
In zijn ogen een scherf van de maan
en schilfers van stervende sterren.
Hoog draagt hij mij
hoog en ver
ver voorbij
de hoge horizon!

En ik, ik zal zijn als de bodem der zee
huilend en juichend, tijdloos mij buigend
onder zijn grommend geweld.
Met borsten vol bedding
en heupen vol hoop.
Mijn lichaam doordrongen van zout en van zand
op naar de toppen der branding, mijn trots is geveld;
zijn lust is mijn redding.
In mijn ogen weerspiegelt de scherf
van de maan en de stervende sterren.
Hoog draagt hij mij
hoog en ver
tot ik sterf
in zoete zomerbrand!